Op een doorsnee maandag in Nederland begint de schooldag voor veel basisscholen anders dan gepland. Een groepsleerkracht heeft zich ziek gemeld. De directeur belt al vanaf zeven uur 's ochtends invallers, collega's, zij-instromers in opleiding — iedereen die even kan bijspringen. Soms lukt het. Soms worden groepen samengevoed, neemt de intern begeleider de klas over, of vraagt de directeur een ouder om te helpen. Dit is geen uitzondering; voor honderdduizenden leerlingen in Nederland is dit de realiteit van 2026.
De cijfers: hoe groot is het tekort werkelijk?
Het lerarentekort in het basisonderwijs is de afgelopen jaren een vast gespreksonderwerp geworden, maar de omvang ervan verschilt sterk afhankelijk van de bron en de meetmethode. De meest recente Feiten en Cijfers over het Lerarentekort, gepubliceerd door het Ministerie van OCW in december 2025, biedt de meest actuele foto.
In het primair onderwijs kon in 2025 circa 8,1 procent van de totale onderwijsbetrekkingen niet worden ingevuld — omgerekend zo'n 7.700 voltijdsequivalenten (fte). Dat klinkt als een verbetering ten opzichte van het jaar daarvoor, toen het tekort nog op 9,7 procent en 9.800 fte stond. Maar de opluchting is van korte duur: prognoses van onderzoeksbureau Centerdata laten zien dat het tekort na 2026 opnieuw gaat groeien en in 2034 kan oplopen tot bijna 6.000 fte. De tijdelijke afname heeft dus alles te maken met demografische schommelingen in de leerlingenpopulatie — niet met een structurele oplossing.
Bij schoolleiders is de situatie eveneens zorgelijk. Landelijk blijft 10 procent van de directeursposten (zo'n 850 fte) onvervuld, al is ook dit een verbetering ten opzichte van de 14,9 procent in 2023. Scholen zonder vaste directeur functioneren minder stabiel: het team mist richting, ouders missen aanspreekpunten en het schoolbeleid blijft steken in de uitvoering van alledag.
Vergelijkbare signalen komen uit het voortgezet onderwijs, waar het tekort in 2025 op 3,5 procent (2.200 fte) staat — nog steeds substantieel, maar beduidend lager dan de 5,1 procent van het jaar daarvoor. Voor het primair onderwijs zijn de tekorten daarmee verhoudingsgewijs het grootst.
Oorzaken: een perfecte storm
Het lerarentekort is niet één probleem maar een samenloop van krachten die elkaar versterken.
Vergrijzing en uitstroom
Een groot deel van het huidige lerarenkorps is vijftig-plus. De komende tien jaar gaan tienduizenden ervaren leerkrachten met pensioen. Die uitstroom is niet te stoppen — en er komen onvoldoende nieuwe leraren voor terug. Het aantal afgestudeerden van de pabo daalt naar verwachting van circa 4.230 in 2025 naar 3.790 in 2034, een afname van ruim tien procent. Tegelijk haken veel starters vroeg af: de hoge werkdruk, de gecombineerde druk van lesgeven én administratie, en het gevoel van onvoldoende begeleiding in de eerste jaren zorgen voor een hoge uitval onder beginnende leraren.
Werkdruk en werkbeleving
Onderzoek van het Arbeidsmarktplatform PO bevestigt jaar na jaar dat werkdruk de voornaamste reden is waarom leraren het onderwijs verlaten of minder uren gaan werken. Leerkrachten in het basisonderwijs besteden gemiddeld slechts zo'n zestig procent van hun werktijd aan direct contact met leerlingen. De rest gaat op aan administratieve verplichtingen, handelingsplannen, oudercontact, vergaderingen en allerlei registratieverplichtingen die door de jaren heen zijn opgestapeld. Het gevoel van machteloosheid — te weinig tijd per leerling, te grote klassen — vreet aan de motivatie.
Concurrentie op de arbeidsmarkt
Nederland heeft een krappe arbeidsmarkt. Iemand met een pabo-diploma kan in steeds meer sectoren aan de slag: kinderopvang, zorginstellingen, re-integratietrajecten. Het startsalaris in het basisonderwijs is weliswaar opgetrokken naar € 3.301 bruto per maand (schaal LB, CAO 2026), en dat is gelijk getrokken met het voortgezet onderwijs. Maar in sectoren als ICT, zorg of de zakelijke dienstverlening liggen vergelijkbare startposities financieel gunstiger en is de werkdruk lager. Dat maakt het moeilijk om talent aan het onderwijs te binden.
Te lage instroom in de pabo
Het aantal pabo-inschrijvingen daalt al een aantal jaren. Potentiële studenten weten dat leraar worden aantrekkelijk en zinvol werk is — maar ze kennen ook de verhalen van overwerkte leerkrachten, volle klassen en stagnerende carrièreperspectieven. De imagoproblematiek van het leraarsvak speelt hier mee.
Regionale verschillen: de steden betalen de hoogste prijs
Het nationaal gemiddelde verhult hoe diep de kloven regionaal zijn. In de G5 — Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere — staat het tekort in het basisonderwijs op 15,8 procent van de betrekkingen. Buiten de vijf grote steden bedraagt dat 'slechts' 6,6 procent. Het verschil is meer dan een factor twee.
Amsterdam laat wel een opvallende daling zien: de stad bracht het tekort in het voortgezet onderwijs terug van 21,7 procent in 2024 naar 5,3 procent in 2025, mede dankzij gerichte gemeentelijke programma's. In het basisonderwijs daalde het Amsterdamse tekort van 15,5 naar 12,2 procent. Rotterdam houdt het tekort darentegen hardnekkig op een hoog niveau — de situatie bleef er nagenoeg stabiel. Volgens prognoses van OCW zal in 2030 de regio Groot Amsterdam nog steeds het hoogste relatieve tekort kennen: 7,3 procent onvervulde betrekkingen, terwijl Noord-Holland-Noord met 3,5 procent het laagste tekort heeft.
Dat regionale patroon heeft diepe wortels. Woningprijzen in de grote steden zijn torenhoog, waardoor leraren zich letterlijk geen woning kunnen veroorloven in de buurt van hun school. Scholen in kwetsbare wijken — met veel leerlingen met een complexe thuissituatie — hebben een hogere uitstroom van leerkrachten én meer moeite nieuwe mensen aan te trekken. Onderzoek van het Economisch Statistisch Bulletin (ESB) stelt zelfs dat het lerarentekort in wezen een allocatieprobleem is: er zijn genoeg mensen met een onderwijsbevoegdheid, maar ze zijn niet evenredig verdeeld over regio's en schoolsoorten.
Beleidsmaatregelen: wat doet de overheid?
De Rijksoverheid investeert fors in de aanpak van het lerarentekort. Jaarlijks gaat er 1,5 miljard euro naar diverse maatregelen: salarisverhoging, werkdrukvermindering, subsidies voor bij- en omscholing en ondersteuning voor scholen in kwetsbare gebieden. De voornaamste pijlers van het beleid zijn:
Zij-instroom vergemakkelijken
Mensen die vanuit een andere beroepsgroep leraar willen worden, kunnen via versnelde trajecten in twee jaar een onderwijsbevoegdheid halen. Het aantal zij-instromers is de afgelopen jaren recordhoog geweest, maar de uitval tijdens de opleiding en in de eerste jaren na aanstelling is hoog. Een maatschappelijk werker of een oud-journalist die een klas van dertig kinderen gaat aansturen, heeft meer nodig dan papieren scholing — goede begeleiding op de werkvloer is cruciaal.
Salarisharmonisatie po en vo
De loongelijkstelling tussen primair en voortgezet onderwijs was een langgekoesterde wens. Toch lost een gelijk startsalaris het tekort niet op: het imago van het vak, de werkdruk en de doorgroeimogelijkheden wegen zwaarder voor veel potentiële kandidaten.
Regionale samenwerking
Via het programma Aanpak Lerarentekort werken schoolbesturen, pabo's, gemeenten en werkgeversorganisaties regionaal samen aan personeelsplannen. De gedachte: scholen in dezelfde regio hoeven niet met elkaar te concurreren om schaarse leraren, maar kunnen de instroom samen organiseren.
Lerarenopleidingen versterken
De overheid zet in op het vergroten van de capaciteit van de pabo's én op het verminderen van de uitval. Begeleiding voor eerstejaars studenten en betere aansluiting op de beroepspraktijk zijn daarin sleutelwoorden. Toch duurt het jaren voordat een investering in opleiding resulteert in meer bevoegde leerkrachten voor de klas.
Wat het tekort werkelijk betekent voor de klas
Achter de percentages en fte's zitten kinderen, ouders en leerkrachten die de gevolgen elke dag voelen. De directe effecten zijn divers en cumulatief.
Grotere klassen en minder aandacht
Wanneer een school geen invaller kan vinden, worden klassen samengevegd. Een groep van 26 leerlingen wordt tijdelijk 38. De leerkracht die al moeite had om alle 26 kinderen te volgen, verliest nu volledig het overzicht over de achterblijvers. Kinderen met dyslexie, een ontwikkelingsachterstand of gedragsproblemen vallen in dergelijke situaties het snelst buiten de boot.
Continuïteit als luxeprobleem
Een stabiele, vertrouwde leerkracht is voor jonge kinderen een basisvereiste voor veilig leren. Scholen waar meerdere weken per jaar wordt gevuld door wisselende invallers of onbevoegde krachten, zien dit terug in het welbevinden van leerlingen — en in de leerresultaten. Scholen met de meest kwetsbare leerlingen — precies de scholen die dit het minst kunnen missen — zijn ook de scholen met de hoogste tekorten.
Druk op vaste medewerkers
De leerkrachten die wel op school blijven, nemen noodgedwongen meer taken op zich. Ze vangen zieke collega's op, begeleiden onervaren zij-instromers en houden extra toezicht in gangen en op schoolpleinen. Dit verhoogt hun werkdruk — wat de kans vergroot dat zij zelf op termijn uitvallen of overstappen naar een andere sector. Zo voedt het tekort zichzelf.
Aantasting van onderwijskwaliteit
Vakken zoals muziek, kunst en bewegingsonderwijs worden bij tekorten als eerste geschrapt of samengevoegd. Projecten, excursies en extra begeleiding voor leerlingen die net boven het gemiddelde zitten (de 'stille middengroep') sneuvelen als eerste. Niet omdat scholen dit willen, maar omdat de prioriteit altijd bij het basale lesgeven ligt.
Wat kunnen scholen zelf doen?
Naast overheidsbeleid zoeken scholen zelf naar creatieve oplossingen. Sommige schoolbesturen bieden woonwerkvergoedingen of tijdelijke huisvesting aan voor leraren die van buiten de stad komen. Andere scholen werken met teamteaching: twee leraren voor één klas, zodat de impact van uitval kleiner is. Sommige besturen experimenteren met flexibele inzetbaarheid — leraren die over meerdere scholen worden ingepland op basis van de vraag van die dag.
Voor directeuren betekent dit steeds meer een rol als HR-manager en crisiscoördinator. De pedagogisch-inhoudelijke aansturing van het team komt daardoor onder druk. De 10 procent vacante schoolleidersfuncties is dan ook geen los probleem: het versterkt precies die kwetsbaarheid.
Ouders kunnen bijdragen door open te staan voor communicatie over de situatie op school. Een school die transparant is over de personeelsproblemen en ouders meeneemt in de zoektocht naar tijdelijke oplossingen, ervaart meer begrip dan een school die problemen binnensmoort totdat de nood zo hoog is dat het nieuws onvermijdelijk is.
Veelgestelde vragen
Hoe groot is het lerarentekort in het basisonderwijs in 2026?
In 2025 stond het tekort in het primair onderwijs op circa 8,1 procent van de betrekkingen, ofwel zo'n 7.700 voltijdsequivalenten. Dat is een lichte daling ten opzichte van het jaar daarvoor, maar prognoses wijzen op een nieuwe toename na 2026. Regionaal zijn de verschillen groot: in de vijf grote steden loopt het tekort op tot 15,8 procent.
Waarom is het lerarentekort zo hardnekkig?
Het tekort is het gevolg van meerdere samenlopende factoren: vergrijzing van het zittende lerarenkorps, hoge uitstroom door werkdruk, dalende pabo-instroom en concurrentie vanuit andere sectoren op de krappe arbeidsmarkt. Geen van deze factoren is snel op te lossen, wat het tekort structureel van aard maakt.
Welke regio's hebben het meest last van het lerarentekort?
De grote steden — Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere — kampen met verreweg de hoogste tekorten. Het G5-gemiddelde van 15,8 procent staat tegenover 6,6 procent buiten die steden. Amsterdam ziet een dalende trend; Rotterdam blijft stabiel hoog. Prognoses wijzen uit dat Groot Amsterdam in 2030 de meest gespannen regio blijft.
Wat doet de Rijksoverheid aan het lerarentekort?
De overheid investeert jaarlijks 1,5 miljard euro in maatregelen als salarisverhoging (po nu gelijk aan vo), versnelde zij-instroomtrajecten van twee jaar, subsidies voor regionale samenwerking en versterking van de pabo-opleidingen. De resultaten zijn zichtbaar, maar de structurele demografische oorzaken — vergrijzing en dalende afstudeercijfers — zijn op korte termijn niet weg te nemen.
Hoe raakt het lerarentekort de kwaliteit van onderwijs?
Scholen moeten vaker klassen samenvoegen, onbevoegde invallers inzetten en vakken als muziek en kunst schrappen. Kinderen met extra ondersteuningsbehoeften zijn het meest kwetsbaar: zij missen de continuïteit en de persoonlijke aandacht die juist zij nodig hebben. Tegelijk neemt de werkdruk van de overblijvende leerkrachten toe, wat het risico op verdere uitstroom vergroot.
Wat kunnen ouders doen als hun school te maken heeft met een lerarentekort?
Ouders kunnen actief zijn via de medezeggenschapsraad (MR) en vragen om transparantie over de personeelssituatie en het beleid van de school. Praktische hulp — als klassenouder of bij buitenschoolse activiteiten — kan de druk op leerkrachten verlichten. Begrip tonen voor de situatie van de school helpt ook: directeuren en leraren doen in moeilijke omstandigheden hun uiterste best voor de kinderen.